> Home > modellen
Yamaha YZR500 deel 3
deel1 - deel2 - deel3
In de twee vorige afleveringen van deze story hebben we zowat de oertypes van de Yamaha YZR500 belicht. Met dit derde en laatste deel schenken we aandacht aan het meer recente verleden van de YZR500, een motor die als geen ander de geschiedenis van de halfliterklasse kleur heeft gegeven. We pakken de draad weer op met de OWD3, de motor waarmee Yamaha in 1991 op de proppen kwam.
naar top
OWD3 (1991)

Door de nieuwe regels die dat jaar van kracht werden ging Yamaha bij het ontwikkelen van deze motor niet verder op zoek naar mogelijke gewichtsbesparingen. Een 500cc racer moest in 1991 immers minimum 130 kilogram wegen om door de technische keuring te geraken. Yamaha concentreerde zich dan maar op de wegligging van de motor en ontwikkelde in samenwerking met Öhlins een wel heel speciaal veersysteem: het CES. Het systeem bestond uit een sensor die de slag van het veerelement opmat, een regelunit en de schokdemper zelf. De sensor registreerde onder het rijden de snelheid en de afstand waarover het veerelement werd samengedrukt en gaf deze gegevens door aan de controleunit. Daar werden deze gegevens verwerkt, waarna een signaal naar de schokdemper werd gestuurd. Aan de hand van dat signaal werden zowel de waarden van de ingaande als de uitgaande demping in een fractie van een seconde aangepast. De rijder kon zelf ook ingrijpen in de afstelling van het geheel via een meerkeuzeschakelaar op het stuur. Verbazingwekkend genoeg werd dit systeem waaraan vanaf 1989 gewerkt was, later niet meer gemonteerd op andere YZR500 versies. De opgedane ervaringen hadden misschien wel aangetoond dat er andere systemen konden gemaakt worden die deze voorziening overbodig maakten. Wayne Rainey won met de OWD3 niet alleen zes races, maar ook de wereldtitel voor Yamaha. John Kocinski, de teamgenoot van Wayne, boekte ook een zege en deze zeven overwinningen waren genoeg om Yamaha ook nog eens de titel bij de constructeurs te bezorgen. Peter Goddard won ook dat jaar de All Japan Championship titel. Van een succesvol racejaar gesproken!

naar top
OWE0 (1992)
Met de OWE0 reed Rainey naar zijn derde wereldtitel terwijl Kocinski ook een wedstrijd won en uiteindelijk derde eindigde in de eindstand. De OWE0 leverde volgens de fabriek 160 pk en was daarmee nog maar eens 5 pk sterker dan zijn voorganger. Maar daarmee was alles over deze motor nog niet gezegd. Vanaf de negende race lieten de ingenieurs de ontstekingsvolgorde van de cilinders veranderen om de vermogensafgifte beter controleerbaar te maken. De motor accelereerde beter uit de lage- en middentoeren wat vooral voordeel opleverde bij het uitkomen van bochten.
naar top

OWF2 (1993)
De ingenieurs van Yamaha hadden nog maar eens wat pk’s gevonden om de YZR500 wat sterker te maken. De 1993 versie leverde 170 pk, hetgeen meteen voldoende was om ook een nieuw frame te ontwerpen. Het ’93 frame was beter bestand tegen de krachten die onder het rijden optraden, speciaal op het vlak van de laterale torsie werden er stevige resultaten geboekt. Desondanks reed Rainey slechts zeven races met het nieuwe frame. Vanaf de achtste race maakte hij gebruik van de diensten van ROC voor het rijwielgedeelte. Deze leverancier ontwierp en produceerde een rijwielgedeelte gebaseerd op Yamaha technologie voor de Yamaha blokken die aan privé-teams verkocht werden.
naar top
OWF9 (1994-1995)
Met deze motor reed Luca Cadalora naar de tweede plaats in het kampioenschap in 1994. Het frame was nog maar eens volledig nieuw en de motor had nog maar eens wat meer vermogen gekregen. Ook de aërodynamica werd verbeterd. In dit jaar verscheen Norick Abe ook op het wereldtoneel tijdens de Britse GP. Een doorontwikkelde versie van de OWF9 racer werd in 1995 ingezet. Op deze motor zat onder andere een ram air inlaatsysteem dat de airbox onder druk moest zetten. Het systeem was in de R&D afdeling van Yamaha in Londen geconcipieerd en zorgde voor een betere aanvoer van frisse lucht naar de carburatoren.
naar top
OWJ1 (1996)
De grootste verandering tegenover de voorgaande modellen was de verandering van de boring en slagverhouding van de motor. Men keerde terug naar de initiële verhoudingen van 54 op 54 millimeter. Deze verhoudingen zorgden volgens de constructeur voor een betere spreiding van het vermogen over een heel ruim toerentalgebied, maar liet ook een hoge topsnelheid toe. Een nieuw soort zuigermateriaal deed ook dat jaar zijn intrede, samen met een nieuw framedesign dat geen gebruik meer maakte van het traditionele subframe waarop tot dan toe het zitje was bevestigd. Norick Abe behaalde op de OWJ1 zijn eerste GP zege. Loris Capirossi won dat jaar eveneens een race en wel die in Australië.
naar top
OWHO (1997)
In de OWHO zat er een vernieuwd motorblok. De cilinderhoek was vergroot tot 75 graden, om onder andere een groter volume te creëren voor de airbox. De vorm van de uitlaatpoorten in de cilinders werd gewijzigd naar een T-vorm, nieuwe krukassen kwamen in de carters te zitten en de uitgaande as van de versnellingsbak was hoger gepositioneerd. Opmerkelijk is dat de OWHO simultaan met de OWJ1 werd ontwikkeld, maar pas na die laatstgenoemde werd ingezet. Cadalora won met deze motor twee races en finishte zesde in de einduitslag. Abe, zijn teamgenoot volgde hem op de voet en nam de zevende plaats voor zijn rekening.
naar top
OWK1 (1998-1999)
Voor 1998 moesten de racers op ongelode benzine rijden. Dat zorgde ervoor dat er heel wat aanpassingen aan de motoren dienden te worden uitgevoerd. De compressieverhouding moest bijvoorbeeld worden herzien, het uitlaatsysteem kreeg andere dempers en de Mikuni carburatoren werden vervangen door Keihin exemplaren. Samen met de reductie van interne wrijvingen en een grotere koelcapaciteit kwam de motor op die manier toch –ondanks de loodvrije benzine- aan een heel bruikbaar vermogen. Opmerkelijk is dat de cilinderhoek terug verkleind was tot 70 graden. In de handen van Jean-Michel Bayle, Norick Abe, Simon Crafar en Regis Laconi evolueerde de motor gedurende het seizoen 1998 en Crafar won er zijn eerste GP mee in Engeland. In 1999 kwamen Max Biaggi en Carlos Checa de Yamaha-ploeg vervoegen. Biaggi, Abe en Laconi wonnen dat jaar elk één race. Er werd heel wat geëxperimenteerd met de motor; Max gebruikte onder meer een set vleugeltjes die de downforce op de voorkant van de motor moesten verhogen, maar deze proefneming werd beëindigd toen de motor negatief op die modificatie reageerde in lange, snelle bochten.
naar top
OWK6 (2000)
De OWK6 is een sterk doorontwikkelde OWK1. Tenminste, dat is wat de fabriek ons wil laten geloven. In de praktijk had de motor niet alleen nieuwe cilinders, cilinderkoppen en aangepast uitlaatsysteem, maar ook de geometrie en de afmetingen van de motor werden herzien. Ook het motormanagement was verbeterd. Dat alles was omhuld door een nieuwe stroomlijn en de motor presteerde beter op topsnelheid en in de acceleratiezones. Garry McCoy won met deze motor drie keer een race, Biaggi won twee races en Abe kwam één keer als eerste over de streep. Op die manier veroverde Yamaha de constructeurstitel voor de negende keer. Daar hadden ze zeven jaar moeten op wachten, maar de pret was er niet minder om.
naar top
OWL6 (2001)
Ook deze motor was een evolutie van zijn voorganger. Zowat alles wat mogelijk was werd lichtjes gewijzigd om de prestaties verder te verbeteren. Ook de lengte van de achtervork kon gekozen worden om aan de specifieke eisen van de piloten tegemoet te komen. Biaggi scoorde drie keer een eerste plaats in de races en veroverde daarmee de tweede plaats in de eindrangschikking van het kampioenschap.
naar top
OWL9 (2002)
Deze laatste telg van een geslacht van 28 versies van de YZR500 zal de geschiedenis ingaan als de hekkensluiter in de 500cc tweetakt geschiedenis. De motor was in feite een OWL6 met een verder naar voren geplaatst motorblok en een iets verhoogd zwaartepunt om meer druk op de voorvork te zetten. De achtervork werd aan een vermageringskuur onderworpen om gewicht te besparen, maar van verdere ontwikkelingen is er niets bekend. De viertakten mochten vanaf 2002 samen met de tweetakten racen in dezelfde klasse en dat de aandacht van Yamaha grotendeels op de ontwikkeling van hun viertakt racer was toegespitst laat zich raden. Ondanks de nieuwe spelers in de klas won Olivier Jacque de pole in de Duitste GP en finishte Abe zesde in de eindrangschikking.
naar top
Uit de geschiedenis van de YZR500 is duidelijk de ontwikkeling van de motorfietsen op te maken. Vanaf de jaren ’70 werden er eerst grote stappen voorwaarts gezet in de ontwikkeling van zowat alles wat op een motor hoort te zitten. Aan het einde van de jaren ’80 worden deze revoluties heel wat minder spectaculair, maar niettemin werden de motoren jaar na jaar beter. Minder opvallende zaken zoals motormanagement en andere hoogtechnologische technieken zorgden ervoor dat de hanteerbaarheid én het vermogen stegen tot fenomenale waarden. De terugkomst van de viertakt motoren in de racerij sluit dan wel een historisch hoofdstuk af, maar heeft de fabrikanten een nieuwe uitdaging geschonken. Het resultaat van die inspanningen zal binnen afzienbare tijd ook aan de straatmotoren waarmee jullie en wij rijden te zien zijn want de technieken die in de racerij ontwikkeld worden zijn té interessant om ze alleen maar voor de sport te reserveren (bvb. radiale remklauwen). Hopelijk zal die erfenis zich voornamelijk toespitsen op de hanteerbaarheid van de motoren want laat ons eerlijk zijn: de huidige modellen hebben snelheid en vermogen zat om zelfs de meest ervaren rijder in de problemen te kunnen brengen.
Als reactie op deze artikelreeks stuurde Ferry Brouwer, de man die ooit sleutelde voor ondermeer Saarinen en Katayama, ons een mailtje. Hij bezorgde ons daarin niet alleen bijkomende informatie over de OW19 maar ook de bovenstaande foto én een uniek beeld van de OW19 die enkele dagen voor het tragische ongeval op Monza is gemaakt. Het eerste deel van deze artikelreeks is daardoor nu meer kompleet geworden én nog beter gedocumenteerd. Motornet dankt dan ook Ferry hartelijk voor zijn bijdrage aan dit artikel.